Trong tiếng việt ta có những cụm từ mà lúc nào cũng đi với nhau chẳng hạn như : qua cầu rút ván, mũi dọc dừa, mặt trái xoan, …thì trong tiếng Hà Lan cũng có những cụm từ như vậy, bắt buộc phải học thuộc lòng chứ ko có logic nào đăng sau để nhớ cả.

1. aandacht besteden aan: chú ý đến vấn đề gì
2. aandacht hebben voor
3. aandacht vestigen op: thu hút sự chú ý về
4. aandringen op: nài nỉ
5. in aanmerking komen voor: hợp lệ về, phù hợp về
6. in aanraking komen met: liên lạc với
7. (iemand) aanspreken op/ account for/ Để đưa ra một lời giải thích về điều gì đó.
8. afbreuk doen aan: lấy đi, khấu trừ đi, làm giảm giá trị
9. afgaan op/rely on/ dựa vào
10. afhangen van/ depend on/ dựa vào
11. een afkeer hebben van/ ngược lại,
12. zich afzetten tegen/ chống đối vấn đề gì
13. afzien van/ bỏ qua, ngó lơ
14. akkoord gaan met/ đồng ý điều gì
15. baat hebben bij/ có lợi về điều gì
16. bedreven zijn in
17. begaan zijn met
18. (iemand) behoeden voor
19. behoefte hebben aan
20. belang hebben bij
21. een beroep doen op
22. besluiten tot
23. bestand zijn tegen
24. betrekking hebben op
25. zich bewust zijn van
26. bezwaar maken tegen
27. blijk geven van
28. breken met
29. commentaar hebben op
30. condoleren met
31. confronteren met
32. zich distantiëren van
33. doelen op
34. dol zijn op
35. zich ergeren aan
36. ervaring hebben met
37. gebaseerd zijn op
38. gebrek hebben aan
39. gediend zijn van
40. gehecht zijn aan

41. geïnteresseerd zijn in
42. gesteld zijn op
43. getuigen van
44. grenzen aan
45. op de hoogte zijn van
46. inbrengen tegen
47. onder de indruk zijn van
48. informeren naar (informatie vragen)
49. informeren over (informatie geven)
50. ingaan op (ergens op reageren)
51. ingaan tegen (ergens tegen reageren)
52. zich inlaten met
53. inspelen op
54. instemmen met
55. invloed hebben op
56. zich inzetten voor
57. kijk hebben op
58. kritiek hebben op
59. lijden aan
60. lucht krijgen van
61. medeplichtig zijn aan
62. misbruik maken van
63. neerkijken op
64. zich ontfermen over
65. ontkomen aan
66. oordelen over
67. opgaan in
68. opmaken uit
69. opzadelen met
70. opzien tegen
71. (iets) overhebben voor
72. Overtuigd zijn van
73. Profiteren van
74. Protesteren tegen
75. Raad weten met
76. Reageren op
77. Recht hebben op
78. Refereren aan
79. Samenhangen met
80. Zich schuldig maken aan
81. Smeken om
82. Solliciteren naar
83. Spotten met
84. Te spreken zijn over
85. In staat zijn tot
86. Stilstaan bij
87. Zich storen aan
88. Streven naar
89. In strijd zijn met
90. Tegemoetkomen aan
91. Ten onder gaan aan
92. Terugkomen op
93. Terugkomen van (een ander inzicht krijgen)
94. Toekomen aan
95. Zich uitlaten over
96. Van gedachten wisselen over
97. Vatbaar zijn voor
98. Zich verbazen over
99. Verdenken van
100. Zich verheugen op
101. Zich verkijken op
102. Zich verontschuldigen voor
103. Veroordelen tot
104. Verslag doen van
105. Versteld staan van
106. Verwijzen naar: chuyển tới
107. Verzoeken om:yêu cầu điều gì
108. Voldoen aan:
109. Voorafgaan aan
110. zich voorbereiden op: chuẩn bị cho thứ gì
111. voorbijgaan aan
112. voorkeur hebben voor: ưu tiên cho thứ gì
113. vooruitlopen op
114. voorzien van
115. zich wagen aan
116. walgen van
117. zich wijden aan
118. te wijten zijn aan
119. een zwak hebben voor
120. zwijgen over